Blijf erin geloven en wanhoop niet / Ton Lathouwers

Verveling

Een heel themanummer over de verveling. Moet ik het daar dan ook nog over hebben? Wat ik onder geen beding wil is: psychologisch uitpluizen wat verveling is of wat de oorzaken zijn. En al helemaal niet: suggereren dat ik een oplossing weet, een remedie om eruit te komen. Om zoiets van mij te verwachten ligt natuurlijk wel voor de hand, zeker met het baantje dat ik bij deze club heb: ‘hij moet wel iets hebben in zijn trukendoos, of in ieder geval in de trukendoos van de traditie die hij vertegenwoordigt’. Mis. Forget it.

Laat ik maar beginnen met een citaat van Pascal, dat ik enkele jaren geleden al eens aanhaalde in het themanummer “Wachten” van ons tijdschrift. Pascal zegt over de verveling iets indrukwekkends. Namelijk dat heel ons leven bestaat uit het zoeken naar verstrooiing – divertissement noemt hij het – om maar niet de verveling te voelen die daarachter ligt. Hij adviseert ons om niet langer weg te vluchten voor die verveling, maar daar juist in te blijven. En dan volgt meteen daarna die wonderlijke uitspraak dat die verveling eigenlijk de grondhouding is van onze ziel, van onze menselijke natuur en dat wij daar zelf niets aan kunnen doen. Geen truc, geen methode, geen therapie, niets kan ons hier helpen. Wachten en waken is de enige weg.

En dan?

Hoever kan die verveling gaan? Hoe ondraaglijk kan ze worden? Misschien moeten we toch weer terug naar wat Hisamatsu zegt over de ontdekking, juist in het wachten en waken, van “de ondraaglijke bodemloosheid van het bestaan”. U kunt het uitgebreid nalezen in Kloppen waar geen poort is. Maar vanwege de cruciale betekenis citeer ik de belangrijkste passage hier nog eens uitvoerig:

“Tegenwoordig wordt er veel gesproken over het aanvaarden van het bestaan als realiteit. Maar toch komen overal ter wereld nihilistische stromingen op, vooral op het gebied van het denken en de literatuur. De oorzaak daarvan is dat, hoe wanhopig wij ook proberen de feitelijke wereld te aanvaarden, die wereld toch steeds een bodemloosheid kent die ondraaglijk is. Maar terwijl het gewone nihilisme slechts beschouwend en sentimenteel is, is het ware nihilisme dit in het geheel niet. Het onthult mijn naakte bestaan, en hoe dieper we daar in doordringen, hoe ondraaglijker het is om te blijven zoals we zijn.

Het niets op de bodem van ons bestaan moet worden opgevat als het diepste lijden van ieder van ons. Iemand die zegt, dat de bodemloosheid van het nihilisme hem of haar niet raakt, weet niet wat echt nihilisme is. Het is de wortel en de bron van lijden, van een lijden dat kwalitatief anders is dan alle andere vormen van lijden. Het is één geheel, totaal en ondeelbaar. We worden in dit lijden ondergedompeld. We zaten er altijd al in: het is onze feitelijke staat van menszijn”.

Dit is de meest indrukwekkende eigentijdse uitdrukking die ik ken van wat in heel de traditie van het boeddhisme in steeds andere bewoordingen wordt benadrukt. Wat echter zeker zo wezenlijk is, is dat Hisamatsu het bovenstaande onmiddellijk verbindt met de eerste gelofte van de bodhisattva: “We moeten het punt bereiken waar de beoefening voor onszelf identiek is met de beoefening voor anderen. De beoefening die gedaan wordt voor de anderen is eeuwig en grenzeloos. Dit onuitputtelijke Mededogen is de basis van het Mahayana boeddhisme”. Hij merkt daarbij echter meteen op dat precies dit perspectief uit het oog verloren wordt en hoeveel moeite het ook hemzelf gekost heeft dit perspectief te ontdekken en in praktijk te brengen.

Nu zou ik een omweg willen maken en een levend voorbeeld willen aanhalen van iemand die datgene waar Hisamatsu over spreekt zeldzaam diep ondervonden heeft en het bovendien onmiddellijk verbindt met de verveling. Het is de Russisch-orthodoxe monnik Silouan, die in 1938 op de berg Athos overleed. Van hem zijn de beroemd geworden woorden afkomstig, die ik in de titel van deze bijdrage parafraseer: “Blijf in de hel en wanhoop niet”. En met die hel, ja, daar bedoelde hij precies mee: die ondraaglijke bodemloosheid, dat nihil dat zich in de verveling – de acedia die de woestijnvaders zo belaagde – tenslotte altijd openbaart.

Silouan zelf was voordat hij op de Athos in het Russische klooster trad een echte rauwdouwer. Maar ook als monnik bleef hij eigenlijk een ongeletterde. We hebben het te danken aan zijn leerling en medemonnik Sofronii, dat wij een kijk gekregen hebben op zijn innerlijk leven. Maar wat mij ook bijzonder getroffen heeft is, dat Thomas Merton – de monnik – trappist die zo diep geworteld was in het zenboeddhisme – ooit over Silouan schreef: namelijk dat Silouan de meest authentieke monnik van onze eeuw is geweest.

Silouan heeft meer dan vijftien jaar lang geleefd in die acedia – verveling – die hij werkelijk heeft ervaren als een ondragelijke ‘godverlatenheid’. Het was of hij, letterlijk zo – het lijkt wel de taal van Hisamatsu – de afgrond van het niets bereikte. Tot op het punt waarop het zo uitzichtloos was, dat hij alles van zich af wilde trappen en zijn roeping op wilde geven.

En precies daar deed hij zijn grote ontdekking, nee, geen bijzondere ervaring of zoiets, maar eerder het tegenovergestelde. De negatieve godverlatenheid – de acedia werd in de traditie van de woestijnvaders altijd gezien als negatief, als iets wat men te boven moest komen – werd plotseling een positieve godverlatenheid, zoals het letterlijk wordt geformuleerd. Het is de ontdekking dat hij precies daarin op een onverklaarbare wijze deel heeft aan de diepste diepten van de menselijke conditie. De acedia wordt een afdaling in de hel van fundamentele angst en dood van alle mensen.

Precies hier formuleert hij zijn uitspraak: blijf met je geest in de hel en wanhoop niet.

Hier duikt werkelijk iets volkomen nieuws op. In plaats van een direkte gerichtheid op de eigen verlossing en op God, zoals de gangbare religieuze opvatting toch leert, wordt hier duidelijk gemaakt dat verlossing, bevrijding of hoe men het ook noemen wil, enkel en alleen kan geschieden met de ander en door de ander heen. En zolang de nood van de ander, van alle anderen, deze doodstrijd van Getsemane zoals Pascal het noemt voortduurt, dus tot aan het einde der tijden, moeten er mensen zijn die daarin blijven waken.

Roept dat niet onmiddellijk de herinnering op aan de Avatamsaka soetra, aan de toewijding van de Bodhisattva, en aan de eerste gelofte? Maar de overeenkomst wordt nog pikanter. In het boeddhisme wordt gesproken over sam ut pada: interdependant coorigination, de onlosmakelijke onderlinge verbondenheid van alles en iedereen als absolute voorwaarde voor bevrijding – nogmaals: wat dat ook is. En precies zo spreken ook Silouan en Sofronii letterlijk over “all humanity being interconnected in a prayer for the whole world”.

Het wordt bij Silouan en Sofronii steeds herhaald: het gaat daarbij om het ontledigen van zichzelf. Cruciaal is niet wat er in mij gebeurt, in mijn bewustzijn – dus ook niet in mijn verveling en mijn bevrijding daaruit – maar wat geschiedt tussen mij en de ander. Daarbij wordt keer op keer benadrukt, dat deze weg wezenlijk verschilt van alle andere religieuze wegen, die immers een onweerstaanbaar aangetrokken worden van de ziel door God als het hoogste goed zien. En voor God mag u invullen wat u wilt: verlichting, ontwaken, Oorspronkelijk Gelaat, Ware Zelf etc.

Voor Silouan moet deze kanteling van het religieuze perspectief even verbijsterend geweest zijn als voor Hisamatsu. Ik kan iedereen, ook mijzelf, aanraden steeds te herlezen wat Hisamatsu daarover schrijft: zijn eerlijke en pijnlijke bekentenis hoe moeilijk het voor hem geweest is dit te ontdekken.

En nu we het toch over Hisamatsu hebben, er is hier nog een frappante overeenkomst. Zowel door Silouan als door Hisamatsu wordt nadrukkelijk gezegd dat de compassie waar het hier over gaat niet vanuit een neerbuigend medelijden gebeurt, maar vanuit het diepe besef dat wij ons allemaal in hetzelfde existentiële lijden en nihil bevinden. En dat het dus absoluut niet een afdalen is van boven naar beneden. Als opfrissertje toch maar even de woorden van Hisamatsu zelf: “Dit mededogen is niet het gewone medelijden, waarmee iemand die zelf niet lijdt als het ware afdaalt naar hen die in lijden gedompeld zijn. Nee, de eerste stap is juist: dit lijden te herkennen als mijn eigen lijden”.

En tenslotte nog dit even wezenlijke punt: de kracht of innerlijke impuls die het Silouan mogelijk maakt deze nieuwe stap te zetten is precies als voor Hisamatsu en bijna op dezelfde manier verwoord: het geloof. Herinnert u zich nog wat Hisamatsu erover zegt? Hier komt het nog een keer. Want dit is precies wat ook met Silouan gebeurde:

“Wat ik onder geloof versta is niet: geloven in iets wat van buitenaf gegeven is of wordt opgelegd. Integendeel, het is geloof dat oprijst uit de vraag, die in de diepte van het menselijke bestaan ligt. Het is totaal niet: geloof in iets dat wordt geleerd of in een uiteindelijk dogma waaraan men niet mag twijfelen. Integendeel: het is twijfel, twijfel tot het bittere einde. En precies dan, en precies daar is er: het groot geloof dat in ons oprijst. Het is de grond van de Weg. We kunnen niet anders dan dit geloof hebben”.

***

Het zijn prachtige getuigenissen, die van Hisamatsu en Silouan. Maar hoe is het voor ons, voor mij? Laat ik het maar bij mijzelf houden: hoe kan ik dat voor mijzelf levend houden? Natuurlijk, Hisamatsu’s woorden uit zijn Gelofte aan de mensheid: “laten we ons bewust worden van de doodsstrijd, persoonlijk en maatschappelijk” helpen mij dat indachtig te blijven. Maar is het voldoende? En ik blijf de tekst van de Avatamsaka soetra beluisteren. Maar dringt het wel echt tot me door? Om nog een keer Hisamatsu te citeren: “Ik zou de vraag willen stellen of we wel echt geleden hebben – in de diepte-dimensie en in de horizontale dimensie? Ik wil mijzelf die vraag stellen. En ik wil die vraag aan de gehele mensheid stellen”.

Er is nog een tekst die me altijd helpt dit levend te houden. Het is een tekst van Elie Wiesel, die ik ook heb opgenomen in mijn boek Meer dan een mens kan doen, ergens in het slothoofdstuk: Kunnen wij de verdoemden liefhebben? Het is een tekst waar de fundamentele koan van Hisamatsu: “Als je niets meer kunt doen, wat ga je dan doen?“ als een rode draad doorheen loopt en waarmee hij ook besluit:

“Men moet wel waanzinnig zijn om te geloven dat wij mensen kunnen verlossen, dat wij de mensheid kunnen redden, dat wij elkaar heden ten dage kunnen helpen. Maar ik pleit voor zo’n waanzin. Ik pleit voor mystieke waanzin, een waanzin die maar één obsessie kent: verlossing… niet zozeer voor onszelf maar voor iedereen. (…) Precies wanneer wij de uiterste grens van de wanhoop hebben bereikt, wat gaan wij dan doen? Daar blijven staan? Voor altijd? In onze traditie is wanhoop nooit het antwoord. Het is de vraag. De vraag van alle vragen. En er komt geen antwoord. Er kan geen antwoord komen. Wat ga jij dan doen?”

We hoeven het woord wanhoop hier maar te vervangen door het woord ‘ondragelijke verveling’, om uit te komen bij het thema van dit nummer: “Wanneer wij de uiterste grens van de verveling hebben bereikt, wat gaan wij dan doen?” Precies hier zijn we helemaal alleen met de stem van ons eigen hart. Dat probeer ik ook maar. Bijvoorbeeld als ik elke avond, na mijn laatste meditatie, aan degenen denk die vandaag uit het leven zijn gestapt omdat de wanhoop te groot was of de eenzaamheid te ondragelijk was.

© Maha Karuna Ch’an: Nieuwsbrief 2009, nr. 1. Ton Lathouwers: Blijf erin geloven en wanhoop niet (PDF)

,

Nog geen reacties.

Geef een reactie

Deze site is een coproductie van Jo Ampe en WebZenz.