Road to Heaven _3

Tussen de witte wolken

Het is herfst 2003 in Beijing als een aantal jonge mensen zich opmaakt om in de leer te gaan bij kluizenaars in het Chungnan gebergte (= Zhongnan gebergte)  in Centraal China. Edward Burger heeft de reis vastgelegd in de film ‘Amongst white clouds’. De film is opgenomen in een periode van religieuze opleving, die zo’n vijfendertig jaar tot 2015 duurde. Vanaf die tijd werden er steeds meer en verdergaande restricties doorgevoerd. Kluizenaars, mannen én vrouwen, zijn er altijd in China geweest; het is een eeuwenoude traditie die ons terugvoert naar de vroegst bekende overleveringen van sjamanen van meer dan 5000 jaar oud, gevolgd door recentere overleveringen over taoïstische- en boeddhistische meesters.

Van oudsher was er in China een bijzondere waardering voor kluizenaars. Het waren mensen die de wereld achter zich hadden gelaten. Ze woonden ver weg in afgelegen, onherbergzame gebieden, hoog in de bergen tussen de wolken. Ze stonden hoog in aanzien en werden geroemd om hun wijsheid en bovennatuurlijke krachten. Algemeen werd aangenomen dat ze op enig moment in een door draken voortgetrokken wagen het firmament en de onsterfelijkheid[1] in zouden gaan. Er was een band met de bewoners van lager gelegen bergdorpen en er bestond een soort onderlinge uitruil van bergkruiden tegen meel, olie en zout. Ook de wereldlijke macht had grote achting voor de veronderstelde (boven) natuurlijke kennis en wijsheid van deze mannen en vrouwen.
Bekend is het verhaal van de mythische Gele Keizer, Huangdi, die zich met name tot twee kluizenaars wendde vanwege hun legendarische wijsheid, die hij, de grote keizer, in zijn wereldlijke positie ontbeerde. Van hen leerde hij hoe vijanden te verslaan en zijn leven te verlengen. Er werd stellig beweerd dat de Gele Keizer zo oud is geworden vanwege raadgevingen van deze kluizenaars, die hij  nauwgezet opvolgde. De Gele Keizer regeerde bijna honderd jaar van 2700 – 2600 over wat toen China was, het gebied ten noorden van het Zhongnan gebergte ten zuiden van de Gele Rivier.

Tot op de dag van vandaag is de mate van religieuze bloei of neergang in China afhankelijk geweest van de willekeur van het regime dat aan de macht was. Religieuze leiders werden beschermd door de keizer die in dat geval aanhanger was van de betreffende traditie, met als gevolg een bloeiende religieuze praktijk met daaraan gepaard gaande intensieve bouwactiviteiten van tempels en andere kunstuitingen[2]. Dat kon gevolgd worden door een tijd, waarin een opvolger een andere traditie aanhing of door de volgende keizer als een gevaar werd gezien voor zijn machtspositie met als gevolg: vernielingen van tempels, vernietiging van beelden en het wegsturen van monniken en nonnen naar huis de gewone wereld in[3].

Onder het regime van de huidige president Xi Jinping gaat China weer toenemend gebukt onder een nietsontziende onderdrukking van religieuze uitingen en stromingen, boeddhisme, taoïsme, christendom, de islam, denk hierbij aan de Oeigoeren en Tibet[4]. Rond de steden staan de grote kloosters onder invloed van de overheid, daarbuiten worden uitingen van religieuze aard niet meer getolereerd[5]. Beelden worden verwoest en tempels en kerken in vrijwel alle provincies worden vernield of omgevormd tot overheidsgebouw met portretten van Xi Jinping aan de muur[6]. Tijdens de Culturele Revolutie met een soortgelijke onderdrukking van religie was er na het overlijden in 1976 van Mao Zedong vanaf 1980 sprake van een religieuze opleving. Kloosters gingen weer open, gebouwen werden hersteld.

In de periode tussen 1980 en 2010 zijn duizenden tempels herbouwd en het taoïsme, boeddhisme en christendom maakten een bloeiperiode door. Ruwweg een derde van de volwassen Chinezen noemt zich gelovig, aldus Ian Johnson[7] (2018, 12) in zijn boek ‘The souls of China, The return of religion after Mao’. “Vermoedelijk bidt de helft van de bevolking weleens in een tempel tot een hele rits van boeddhistische en taoïstische goden en heiligen. Die mengvorm, ook wel ‘volksreligie’ genoemd is de dominante religie in het grootste deel van China” vertelt Ian Johnson in een interview van Trouw. Hij deed onderzoek in drie religieuze gemeenschappen in China: taoïsme, boeddhisme en christendom (Trouw, 2017)[8]. Nu in 2021 is dat allemaal weer anders. Ondanks opeenvolgende perioden van grote bloei en onderdrukking is religie nooit weggeweest en zal ook nooit verdwijnen.

Als de film begint zien we water druppelen op rotsen, gevolgd door een close up van een lila iris en mieren die een insect, vele malen groter dan zijzelf,  wegslepen. Onderwijl horen we iemand spreken: “Als je alle illusies achter je laat rijst innerlijke wijsheid vanzelf op. Er is geen verschil tussen vreugde en verdriet, tussen plezier en lijden, feitelijk zijn ze gelijk”; samsara is nirvana en nirvana is samsara. De stem blijkt die van de toekomstige leraar van de makers van de film te zijn. We zien het beeld van een roofvogel in de lucht, een laaghangend wolkendek in een berglandschap. Vervolgens zijn we in Beijing, waar ze zich klaarmaken voor hun reis naar de kluizenaars, bij wie ze een aantal jaren in de leer willen gaan. In de film volgen we de vrienden op hun tocht langs een zestal kluizenaars. Als belangrijke gids voor hun reis functioneert het boek ‘Road to Heaven’ van Bill Porter, dat in 1993 uitkwam.

Het verhaal van de film begint dus eigenlijk dertig jaar eerder in 1972 bij Bill Porter, toen hij als jonge afgestudeerde antropoloog met Chinese taal in zijn pakket naar Taiwan vertrok om zijn intrek te nemen in een boeddhistisch klooster. Naast zijn training in de tempel las hij boeddhistische- en  taoïstische teksten. Met name de laatste stonden vol verhalen over kluizenaars in het Oude China. Ze hadden niet veel meer nodig dan de berg, een beetje modder en wat riet om een dak boven hun hoofd te metselen en een lapje grond om wat groente te kweken en een rijtje theestruiken neer te zetten.
Bill Porter vroeg de monniken om hem heen of de kluizenaars van weleer in deze tijd opvolgers zouden hebben. Er was niemand die er nog in geloofde: hoe zouden ze na bijna een eeuw van revolutie en onderdrukking überhaupt nog hebben kunnen overleven? Maar zijn nieuwsgierigheid was gewekt. Hij kon het idee niet meer van zich afzetten en vatte het plan op om zodra de kans zich zou voordoen, op onderzoek uit te gaan.

Die kans kwam toen er weer gereisd kon worden naar China. In 1989 vertrok Bill Porter op zoek naar kluizenaars. Voor een eerste onderzoek kreeg hij een beurs en samen met fotograaf Steve Johnson reisde hij af richting China. Aangekomen in Beijing zochten ze contact met de Boeddhistische Unie China, waar de directeur met stomheid was geslagen, toen hem naar kluizenaars werd gevraagd. Nog voordat hij een antwoord had kunnen geven, vertelde de abt die erbij stond, dat hij van kluizenaars in de Zhongnan bergen wist in de buurt van Xi’an. De directeur haastte zich te zeggen dat het een gevaarlijke tocht was en het beter was om naar een meditatiecentrum in de stad te gaan.

De volgende dag gingen ze op pad. Na in het uitgestrekte gebied diverse kloosters te hebben bezocht en trails te hebben gevolgd, kregen ze het verlossende woord van een monnik aan de poort van het laatste klooster: “Natuurlijk zijn er kluizenaars in China, maar als je ze tegenkomt, zul je ze niet herkennen”. De monnik vervolgde: “Je zult ze niet vinden, tenzij ze gevonden willen worden” en hij lachte een brede lach. Op dat moment beseften Bill Porter en zijn kompaan dat ze waarlijk in een missie waren beland, die heel wat meer van hen zou eisen dan alleen maar logisch nadenken. Het was niet zomaar een tocht; ze kwamen tot het besef dat ze alles uit de kast zouden moeten halen om het spoor van de kluizenaars te kunnen vinden.

Het boeddhisme bleek springlevend te zijn, niet zozeer in de tempels, maar onder kluizenaars, de mannen en vrouwen, oud en jong, Boeddhist en Taoïst. Allemaal arm, maar ze hadden een glimlach op hun gelaat, schrijft Bill Porter, “die ons het gevoel gaf dat we de meest gelukkige en wijze mensen van China hadden ontmoet” (1993, 9). Deze keer konden ze slechts een maand blijven. Twee maanden later kwamen ze terug in het gebied voor een langere periode. Die periode beschreef hij in ‘Road to Heaven’.

“Het onderwijs van de boeddha is erop gericht om onze ware natuur te gaan zien, die er altijd al is, maar meestal verborgen gaat onder onze onwetendheid en verwarring”, horen we één van de kluizenaars op het einde van de film zeggen. Die ware natuur is er vanaf onze geboorte:

Het is als met de zon.
Op een bewolkte dag kunnen we de zon niet zien.
Dat betekent niet dat de zon er niet is.

Er is niets mis met de zon,
we kunnen hem alleen niet zien.
Zo is het ook met de boeddhanatuur.

Hij vervolgt: “Leven met de beslommeringen van de alledaagse werkelijkheid roepen de hemel of de hel op. Als we ons overal druk om maken en met een bezwaard gemoed in het leven staan, wordt de wereld tot een hel. Maar als we daarentegen positief in het leven staan, dan wordt de wereld tot een hemel”. Feitelijk gaat het hier over heilzame en on-heilzame gedachten. Alles is beoefening gaat hij verder: “beoefening is niet alleen maar de stilte ingaan en zitten in meditatie; de beoefening gaat altijd door op ieder moment van de dag, bij alles wat je doet”. Zoals Xu Yun[9] dit jarenlang heeft onderwezen. Hij leefde aan het einde van de negentiende eeuw ook als kluizenaar in deze bergen en gaf in zijn latere leven overal in China

les. Hij beoefende en onderwees het ‘hua tou’ (Wie) bij alles wat hij deed, de hele dag door: Wie is het die zit, loopt, staat, etc.… In een volgende tekst zal ik hierop terugkomen.

Een veelzeggende scene aan het begin van de film is als de leerling vraagt: ”Hé master, laten we even gaan zitten en geef ons les?” Ze zijn dan aan het werk op het lapje grond van de tempel. De Meester zegt hierop: “Maak toch geen onderscheid, alles is beoefening, ook het bewerken van de grond, het planten van kleine zaailingen, al het werk dat je doet op een dag. Als je alles doet met een onverdeelde geest, is alle werk zo gedaan. Wordt één met wat je doet en alle onderscheid valt weg, geen voor- of afkeer. Wees één van geest”. We horen hier de echo van de Hsin-hsin-ming, Over vertrouwen in de geest. Ik zou iedereen willen aanmoedigen om de film te gaan bekijken en zelfs vaker dan eenmaal. Luister aandachtig wat de kluizenaars ons willen zeggen, het is zo eenvoudig, maar het getuigt van een diepe wijsheid.

Elsbeth Wolf

De PDF van de tekst is te downloaden.


(door op het nummer te klikken, keer je terug in de tekst)
[1] Taoïstische meesters streefden de onsterfelijkheid na.
[2] Bekend is het verhaal van keizer Wu, die Bodhidharma vraagt wat zijn verdiensten zijn bij het laten uitvoeren van de bouw van zoveel tempels. “Geen verdienste”, antwoordde Bodhidharma.
[3] De oorsprong van de rakusu ligt in China. Het ontstaan van de rakusu stamt uit de tijd van de regeringsperiode van keizer Tang (Tang dynastie 618 – 907) waarin boeddhisten werden vervolgd. Monniken en nonnen droegen de rakusu, als miniatuur versie van de kesa of kāṣāya, verborgen onder hun  kleding. De rakusu bestaat uit 16 stroken stof die aan elkaar worden genaaid volgens een vast blokpatroon in vijf kolommen, een rijstveld voorstellend. Rakusu is afgeleid van kāṣāya of kesa (monnikskleed) en wordt tijdens de meditatie gedragen als je jukai (toevlucht nemen tot de Boeddha, de Dharma en de Sangha) hebt gedaan in de Japanse zentraditie. In de Ch’an traditie wordt geen rakusu gedragen. Hier is het gangbaar om een kalligrafie met de boeddhistische naam te ontvangen tijdens de ceremonie.
[4] Het meest recente nieuws is dat de naam van Tibet wordt veranderd in een Chinese naam en dat gebedsvlaggetjes verboden zijn.
[5] Religieuze organisaties in China staan onder partijcontrole. Lokale partijorganisaties gaan over vergunningen en controleren tempels en kerken. China erkende vijf religies: taoïsme, boeddhisme, islam, protestantisme en katholicisme – ieder met een eigen officiële organisatie. Geloofsinstanties buiten die organisaties zijn in principe illegaal.
[6] Zie Bitter Winter, A magazine on religious liberty and human rights.
[7] Ian Johnson, 2018: The souls of China, The return of religion after Mao.
[8] Interview van Eric Brassem met Ian Johnson in Trouw: Religie in China is nooit weg geweest, 18 juni 2017.
[9] Teh Ching had een grote waardering voor Xu Yun. Hij is één van de grote zenmeesters van China. Hij kreeg de naam Empty Cloud, werd 120 jaar en overleed in 1959.


Literatuur:
Bill Porter, 1993: Road to Heaven. Encounters with Chinese Hermits

Film:
Edward A. Burger, 2003: Amongst white clouds, YouTube

, , ,

Reageren gesloten.

Deze site is een coproductie van Jo Ampe en WebZenz.